Available languages

Taxonomy tags

Info

References in this case

References to this case

Share

Highlight in text

Go

Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak C-169/04,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het VAT and Duties Tribunal, London (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 2 april 2004, ingekomen bij het Hof op 5 april 2004, in de procedure

Abbey National plc,

Inscape Investment Fund

tegen

Commissioners of Customs & Excise,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. Malenovský, S. von Bahr (rapporteur), A. Borg Barthet en U. Lõhmus, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 maart 2005,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

– Abbey National plc, vertegenwoordigd door J. Woolf, barrister, en J.-C. Bouchard, avocat, beiden geïnstrueerd door R. Croker, solicitor,

– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji, E. O’Neill en S. Nwaokolo als gemachtigden, bijgestaan door R. Hill, barrister,

– de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door S. Schreiner als gemachtigde,

– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2005,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen Abbey National plc (hierna: „Abbey National”) en Inscape Investment Fund enerzijds en de Commissioners of Customs & Excise (hierna: „Commissioners”) anderzijds, over de heffing van belasting over de handelingen verricht door de bewaarders van een aantal toegelaten gemeenschappelijke beleggingsfondsen die de vorm hebben van een trust („authorised unit trusts”) en van een open beleggingsmaatschappij („Open-ended investment company”; hierna: „OEIC”), en voorts over de handelingen van administratie en verslaglegging verricht door een derde vennootschap in opdracht van de beheermaatschappij van een OEIC.

Het rechtskader

De communautaire regeling

3. Artikel 13, B, sub d, van de Zesde richtlijn luidt als volgt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[...]

d) de volgende handelingen:

1. verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend;

2. het bemiddelen bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;

3. handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen;

4. handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die als verzamelobject worden beschouwd; als zodanig worden beschouwd gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaliter niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben;

5. handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van

– documenten die goederen vertegenwoordigen,

– de in artikel 5, lid 3, genoemde rechten of effecten;

6. het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten.”

4. Artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3) definieert instellingen voor collectieve belegging in effecten (hierna: „icbe’s”) als instellingen:

„– waarvan het uitsluitend doel is de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding,

en

– waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. [...]”

5. Ingevolge artikel 1, lid 3, van deze richtlijn kunnen deze instellingen „rechtens geregeld zijn bij overeenkomst (beleggingsfondsen beheerd door een beheermaatschappij), als trust (unit trust) dan wel bij statuten (beleggingsmaatschappij)”. In de zin van richtlijn 85/611 wordt onder „beleggingsfonds” ook de „unit trust” verstaan.

6. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn wordt een icbe toegelaten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de icbe zich bevindt. Deze toelating geldt voor alle lidstaten.

7. Artikel 4, lid 2, van deze richtlijn bepaalt dat een beleggingsfonds om te worden toegelaten een beheermaatschappij en een bewaarder moet hebben aangewezen, terwijl de beleggingsmaatschappij, die wat de bewaarder betreft diezelfde verplichting heeft, geen beheermaatschappij hoeft aan te wijzen.

8. Volgens de artikelen 7, lid 1, en 14, lid 1, van richtlijn 85/611 moeten de activa van het beleggingsfonds respectievelijk van de beleggingsmaatschappij in bewaring worden gegeven bij een bewaarder.

9. Wat de beleggingsfondsen betreft, is de bewaarder volgens artikel 7, lid 3, van deze richtlijn bovendien gehouden:

„a) zich ervan te vergewissen, dat de verkoop, uitgifte, inkoop, terugbetaling en intrekking van rechten van deelneming voor rekening van het fonds of door de beheermaatschappij, overeenkomstig de wet of het fondsreglement geschieden;

b) zich ervan te vergewissen dat de waarde van de rechten van deelneming wordt berekend overeenkomstig de wet of het fondsreglement;

c) de aanwijzingen van de beheermaatschappij uit te voeren, tenzij deze in strijd zijn met de wet of het fondsreglement;

d) zich ervan te vergewissen dat bij transacties met betrekking tot de activa van het fonds de tegenprestatie hem binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;

e) zich ervan te vergewissen dat de opbrengsten van het fonds een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet of het fondsreglement”.

10. Wat de beleggingsmaatschappijen betreft, is de bewaarder volgens artikel 14, lid 3, van deze richtlijn naast de bewaring van de activa bovendien gehouden:

„a) zich ervan te vergewissen dat de verkoop, uitgifte, inkoop, terugbetaling en intrekking van rechten van deelneming voor rekening van of door de beleggingsmaatschappij overeenkomstig de wet of de statuten van de beleggingsmaatschappij geschieden;

b) zich ervan te vergewissen dat bij de transacties met betrekking tot de activa van de maatschappij, de tegenwaarde hem binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;

c) zich ervan te vergewissen dat de opbrengsten van de maatschappij een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet en de statuten”.

11. Ingevolge de artikelen 9 en 16 van richtlijn 85/611 is de bewaarder volgens het nationale recht van de staat waar de statutaire zetel van de beheermaatschappij, respectievelijk de beleggingsmaatschappij, zich bevindt, jegens deze maatschappijen en de deelnemers aansprakelijk voor alle door hen geleden schade ten gevolge van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen.

12. Volgens de artikelen 10, lid 1, en 17, lid 1, van deze richtlijn mogen de taken van beheermaatschappij, respectievelijk beleggingsmaatschappij, enerzijds en bewaarder anderzijds niet door dezelfde maatschappij worden vervuld.

13. Richtlijn 85/611 is gewijzigd bij richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 met het oog op de reglementering van beheermaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen (PB L 41, blz. 20) en bij richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 betreffende beleggingen van icbe’s (PB L 41, blz. 35). Artikel 5, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 85/611, zoals gewijzigd, verwijst naar bijlage II bij deze richtlijn, die een niet-limitatieve lijst van taken bevat die deel uitmaken van het beheer van beleggingsmaatschappijen en beleggingsfondsen. Deze lijst noemt de volgende taken:

„– Beheer van beleggingen

– Administratie:

a) uitvoeren van de wettelijk verplichte en voor het fondsbeheer vereiste werkzaamheden op het gebied van de verslaglegging;

b) verzoeken om inlichtingen van cliënten;

c) waardering en prijsstelling (met inbegrip van belastingaangiften);

d) toezien op de naleving van de regelgeving;

e) bijhouden van een deelnemersregister;

f) bestemming van de inkomsten;

g) uitgifte en inkoop van rechten van deelneming;

h) afwikkeling van contracten (met inbegrip van de verzending van deelbewijzen);

i) bijhouden van bescheiden.

– Verkoop”

14. Artikel 5 octies, lid 1, van richtlijn 85/611, zoals gewijzigd, dat ingevolge artikel 13 ter van deze richtlijn eveneens van toepassing is op beleggingsfondsen die geen toegelaten beheermaatschappij hebben aangewezen, biedt de mogelijkheid dat een beheermaatschappij onder bepaalde voorwaarden „met het oog op een efficiëntere bedrijfsvoering het voor haar rekening vervullen van één of meer van haar taken aan derden delegeert”.

De nationale regeling

15. Ingevolge Schedule 9, Group 5, Items 9 en 10, van de Value Added Tax Act 1994 (wet inzake belasting over de toegevoegde waarde; hierna: „Value Added Tax Act 1994”), worden in het Verenigd Koninkrijk „authorised unit trusts” (Item 9) en OEIC’s (Item 10) beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

16. Richtlijn 85/611 is in het Verenigd Koninkrijk in nationaal recht omgezet bij de Financial Services and Markets Act 2000 (wet inzake financiële dienstverlening en markten; hierna: „FSMA”), die echter een ruimere werkingssfeer heeft dan deze richtlijn.

17. Overeenkomstig de FSMA is een „authorised unit trust” een collectieve beleggingsconstructie waarbij de eigendom berust bij een trust voor rekening van de deelnemers en die is toegelaten in de vorm van een vergunning. In een dergelijke constructie kopen of verkopen beleggers deelnemingsrechten in het fonds. Tenzij de beheerder de deelnemingsrechten van de beleggers terugkoopt of aan hen verkoopt, worden nieuwe deelnemingsrechten gecreëerd of terugbetaald telkens wanneer een belegger deelnemingsrechten koopt of verkoopt.

18. Volgens de regels voor collectieve beleggingsconstructies, neergelegd in het „Collective Investment Schemes Sourcebook” (hierna: „CIS Sourcebook”) van de ter zake van financiële diensten bevoegde autoriteit (Financial Services Authority), moet de beheerder van een „authorised unit trust” deze beheren in overeenstemming met de trustakte, de regels van het CIS Sourcebook en de meest recent gepubliceerde prospectus.

19. Blijkens de verwijzingsbeslissing is een OEIC een soort collectieve beleggingsconstructie, die lijkt op een gemeenschappelijk beleggingsfonds, behalve dat zij de structuur van een vennootschap heeft en niet door het trustrecht wordt beheerst. Naast de bepalingen van de FSMA zijn op OEIC’s met name van toepassing de Open-Ended Investment Companies Regulations 2001 (regels voor open beleggingsmaatschappijen; hierna: „OEIC Regulations”). Een OEIC heeft een variabel kapitaal, zodat nieuwe aandelen worden gecreëerd wanneer een belegger in de maatschappij wenst te beleggen, en die aandelen worden ingekocht wanneer de belegger zijn b elegging wenst te liquideren.

20. De OEIC Regulations bepalen dat een OEIC door ten minste één toegelaten vennootschapsbestuurder (Authorised Corporate Director; hierna: „ACD”) moet worden beheerd. Dit moet een rechtspersoon zijn, die is toegelaten en toestemming heeft om als bestuurder op te treden.

21. In de FSMA en het CIS Sourcebook wordt de bewaarder van een „authorised unit trust” aangeduid als „trustee”, terwijl in de OEIC Regulations de bewaarder van een OEIC „bewaarder” wordt genoemd.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

22. Abbey National Unit Trust Managers Limited en Scottish Mutual Investment Managers Limited, leden van de BTW-eenheid Abbey National, zijn beheerder van 15, respectievelijk 11, „authorised unit trusts”.

23. De trustees van laatstgenoemden zijn Clydesdale Bank plc (hierna: „Clydesdale”), Citicorp Trustee Company Limited (hierna: „Citicorp”) of HSBC Bank plc (hierna: „HSBC”). De verwijzende rechter merkt op dat zij voor hun werk als trustee een algemene vergoeding in rekening brengen. Hoewel Clydesdale en HSBC tevens optreden als effectenbewaarder (custodian), heeft geen van de algemene trusteevergoedingen die zij in rekening brengen, betrekking op algemene bewaarneming; hiervoor wordt een afzonderlijke vergoeding aangerekend. Citicorp daarentegen is wel trustee, maar treedt niet op als effectenbewaarder.

24. Inscape Investments Limited is aangewezen als ACD voor Inscape Investment Fund, en Abbey National Asset Managers Limited voor drie andere OEIC’s. Inscape Investments Limited en Inscape Investment Fund zijn tevens lid van de BTW-eenheid Abbey National.

25. Citicorp is aangewezen als bewaarder van deze vier OEIC’s en brengt een algemene vergoeding in rekening voor haar taken. Ook voor deze OEIC’s treedt zij echter niet op als effectenbewaarder.

26. Eind 2000 heeft Inscape Investments Limited voor de verslaglegging van Inscape Investment Fund een overeenkomst gesloten met de Bank of New York Europe Limited en vervolgens met de Bank of New York (hierna: „Bank of New York”). In deze overeenkomst heeft laatstgenoemde zich verbonden tot de verrichting van een aantal diensten in opdracht van Inscape Investments Limited, met name de berekening van het bedrag aan inkomsten en de prijs van de deelnemingen of aandelen in het fonds, de waardering van de activa, de verslaglegging, de voorbereiding van declaraties voor de verdeling van de inkomsten, de verstrekking van informatie en documentatie voor de periodieke rekeningen en de belastingaangiften, voor het opmaken van statistieken en voor de aangiften voor de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”), alsmede de opstelling van de rendementsprognoses.

27. De Bank of New York heeft zich tevens verbonden tot andere verrichtingen, zoals gegevensverwerking, herwaardering van de fondsen, de berekening en registratie van de kosten en uitgaven en verslaglegging van gebeurtenissen binnen de onderneming, de verstrekking van de dagprijzen van de compartimenten aan de pers, de opstelling van belasting- en BTW-aangiften alsook aangiften bij de Bank of England, de berekening van het uitkerings- en rendementspercentage en beantwoording van de vragen van Inscape Investments Limited en/of de bewaarder.

28. Abbey National heeft een beroep ingesteld omdat verschillende trustees van de „authorised unit trusts” die door haar dochterondernemingen en door Inscape Investment Fund worden beheerd, BTW in rekening hebben gebracht op grond dat haar bewaarder ook BTW in rekening bracht.

29. Voorts betwist Abbey National het in rekening brengen van BTW door de Bank of New York aan Inscape Investments Limited over de administratie en de verslaglegging die zij als fondsbeheerder heeft verricht.

30. Abbey National stelt tevens dat de door de Bank of New York verstrekte diensten van BTW zijn vrijgesteld, omdat zij vallen onder „het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn. Zij merkt dienaangaande op dat de administratie van een fonds duidelijk deel uitmaakt van het beheren ervan, en dat de uitbesteding van alle of een groot deel van de administratieve aspecten van het beheer, die een kenmerkend en essentieel deel van het beheer uitmaken, niet anders dient te worden behandeld dan de uitbesteding van bepaalde beslissingen over de vraag welke beleggingen dienen te worden gekozen.

31. Abbey National en Inscape Investment Fund stellen ook dat de andere diensten dan de bewaringsdiensten van trustees van een „authorised unit trust” en van de bewaarders van een OEIC, eveneens zijn vrijgesteld op grond van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn. Tot de beheerstaken behoren immers ook de controle en het nemen van beslissingen die door de bewaarder of de trustee worden verricht.

32. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat volgens de Commissioners de kenmerkende en essentiële functie van het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen het beheer van beleggingen is, hetgeen selectie en verkoop van beheerde activa impliceert. Zij stellen dat dit de door de trustees en de bewaarders verstrekte diensten uitsluit van de vrijstelling, aangezien dezen in het algemeen niet rechtstreeks betrokken zijn bij de dagelijkse beslissingen over het beheer van de beleggingen en hun voornaamste functie de bescherming van de consument en de belegger is. Dit sluit eveneens de door de fondsbeheerder verstrekte administratieve diensten uit van de vrijstelling, aangezien geen van deze diensten selectie en verkoop van beheerde activa inhoudt.

33. De verwijzende rechter merkt op dat de draagwijdte van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn niet duidelijk is. Hij wijst er in dit verband op dat er duidelijke verschillen zijn in de praktijk van de lidstaten met betrekking tot de behandeling van handelingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

34. In deze omstandigheden heeft het VAT and Duties Tribunal, London, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Betekent de vrijstelling van het ‚beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten’ in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn dat de lidstaten zowel bevoegd zijn om te bepalen welke activiteiten deel uitmaken van het ‚beheer’ van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als om te bepalen welke gemeenschappelijke beleggingsfondsen onder de vrijstelling vallen?

2) Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en aan het begrip ‚beheer’ in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn een autonome gemeenschapsrechtelijke uitlegging moet worden gegeven, zijn dan, gelet op richtlijn 85/611 [...], de vergoedingen die een bewaarder of een trustee in rekening brengt voor de diensten die hij verleent overeenkomstig de artikelen 7 en 14 van [...] richtlijn [85/611], de nationale voorschriften en de reglementen van het fonds, vrijgestelde handelingen van ‚beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn?

3) Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en aan het begrip ‚beheer’ een autonome gemeenschapsrechtelijke uitlegging moet worden gegeven, is de vrijstelling van het ‚beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn dan van toepassing op door een derde beheerder verstrekte diensten van administratief beheer van het fonds?”

De eerste vraag

35. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „beheer” van gemeenschappelijke beleggingsfondsen bedoeld in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn een autonoom gemeenschapsrechtelijk begrip is waarvan de lidstaten de inhoud niet kunnen wijzigen.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

36. Abbey National, de Luxemburgse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn van mening dat de vrijstelling voor het „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten” in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet de bevoegdheid verleent om te bepalen welke activiteiten deel uitmaken van het „beheer” van die fondsen.

37. De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt daarentegen dat deze vrijstelling de lidstaten die bevoegdheid geeft, evenals de bevoegdheid om te bepalen welke gemeenschappelijke beleggingsfondsen onder de vrijstelling vallen.

Beoordeling door het Hof

38. Volgens vaste rechtspraak zijn de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen, die een communautaire definitie dienen te krijgen om verschillen in de toepassing van het BTW-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie met name arresten van 12 september 2000, Commissie/Ierland, C-358/97, Jurispr. blz. I-6301, punt 51; 3 maart 2005, Fonden Marselisborg Lystbådehavn, C-428/02, Jurispr. blz. I-1527, punt 27, en 1 december 2005, Ygeia, C-394/04 en C-395/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15).

39. Al kunnen de lidstaten bijgevolg de inhoud van deze vrijstellingen niet wijzigen, in het bijzonder wanneer zij de toepassingsvoorwaarden daarvoor vaststellen, kan hiervan geen sprake zijn wanneer de Raad de omschrijving van bepaalde termen van een vrijstelling juist aan de lidstaten heeft overgelaten (zie arrest van 28 maart 1996, Gemeente Emmen, C-468/93, Jurispr. blz. I-1721, punt 25).

40. Derhalve moet worden onderzocht of artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn de lidstaten opdraagt om zowel het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” als het begrip „beheer” van die fondsen te omschrijven, dan wel alleen het eerste van deze twee begrippen op het oog heeft.

41. In dit verband moet worden geconstateerd dat de Engelse en de Nederlandse taalversie van deze bepaling, wat de draagwijdte ervan betreft, weliswaar voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, maar dat met name uit de Deense, de Duitse, de Franse en de Italiaanse taalversie blijkt dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn uitsluitend doelt op de omschrijving door de lidstaten van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen”.

42. De beperkte draagwijdte van deze verwijzing naar het nationale recht, zoals die met name blijkt uit de Deense, de Duitse, de Franse en de Italiaanse taalversie, wordt bevestigd door de context waarin deze term voorkomt, door het systeem van de Zesde richtlijn en door het doel, verschillen in de toepassing van het BTW-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen.

43. Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het begrip „beheer” van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als bedoeld in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, een autonoom gemeenschapsrechtelijk begrip is, waarvan de lidstaten de inhoud niet kunnen wijzigen.

De tweede en de derde vraag

44. Met zijn tweede en zijn derde vraag, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de volgende handelingen onder het begrip „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen of niet:

– de door een bewaarder in rekening gebrachte diensten die overeenkomstig de artikelen 7 en 14 van richtlijn 85/611, de nationale voorschriften en de toepasselijke bepalingen van het fonds zijn verleend, en

– de door een derde beheerder geleverde diensten met betrekking tot het administratieve beheer en de verslaglegging van de fondsen.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

45. Abbey National en de Luxemburgse regering stellen dat de diensten die in rekening worden gebracht door een bewaarder of een „trustee” in het kader van diensten verleend overeenkomstig de artikelen 7 en 14 van richtlijn 85/611, de nationale voorschriften en de toepasselijke bepalingen van het fonds, vrijgestelde diensten zijn in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

46. Deze bepaling dekt volgens hen ook diensten die door een derde beheerder worden verleend in het kader van het administratieve beheer van de fondsen.

47. De regering van het Verenigd Koninkrijk is van mening dat de in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn gebruikte term „beheer” van gemeenschappelijke beleggingsfondsen aldus moet worden begrepen dat hij betrekking heeft op de belangrijkste taak die de beheerder van een gemeenschappelijk beleggingsfonds vervult, namelijk het beheer van de portefeuille.

48. Deze vrijstelling geldt niet tevens voor de verrichtingen die door een bewaarder of een trustee in rekening worden gebracht in het kader van de bewaring van de effecten van het gemeenschappelijke beleggingsfonds of het toezicht op de activiteiten van de beheerder, dat moet garanderen dat deze worden verricht volgens de regelen van het recht en het fondsreglement.

49. Om dezelfde redenen is die vrijstelling volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk ook niet van toepassing op zuiver administratieve werkzaamheden die ten behoeve van de beheerder worden verricht door de bestuurder aan wie de verslaglegging van het fonds is uitbesteed.

50. Volgens de Commissie vallen onder de term „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn alle diensten die nauw verbonden zijn met de exploitatie van het fonds, dat wil zeggen met de bepaling van het investeringsbeleid en het aan- en verkopen van activa.

51. De diensten die door een bewaarder overeenkomstig de artikelen 7 en 14 van richtlijn 85/611, de nationale voorschriften en de toepasselijke bepalingen van het fonds worden verleend, vormen echter geen beheer van fondsen in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

52. De door een derde beheerder verleende diensten die tot het administratieve beheer van een fonds behoren, vormen evenmin beheer van fondsen in de zin van deze bepaling.

Beoordeling door het Hof

53. Om te beginnen moet worden geconstateerd dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn betrekking heeft op gemeenschappelijke beleggingsfondsen ongeacht de rechtsvorm ervan. Binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen dus zowel instellingen voor collectieve belegging die zijn geregeld bij overeenkomst of als trust, als instellingen die zijn geregeld bij statuten.

54. Uit de context noch uit de bewoordingen van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn blijkt immers dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de toepassing van deze bepaling te beperken tot instellingen voor collectieve belegging die zijn geregeld bij overeenkomst of als trust.

55. In feite was ten tijde van de invoering van de Zesde richtlijn de communautaire terminologie op dit gebied nog niet geharmoniseerd; richtlijn 85/611, die in artikel 1, lid 3, een communautaire definitie geeft van icbe’s, is immers pas in 1985 aangenomen. Voorts gebruiken de Franse en de Italiaanse taalversie van artikel 1, lid 3, van richtlijn 85/611 voor het aanduiden van instellingen voor collectieve belegging die zijn geregeld bij overeenkomst, weliswaar dezelfde term als in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn wordt gehanteerd, maar dit geldt niet voor de overige taalversies van deze bepaling, met name niet voor de Engelse, de Duitse, de Deense en de Nederlandse.

56. Wat voorts de toepassing van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn op transacties tussen instellingen voor collectieve belegging en investeerders (deelnemers) betreft, zou een andere uitlegging van deze bepaling, waarbij het beheer van instellingen voor collectieve belegging die zijn geregeld bij overeenkomst of als trust, wel van BTW worden vrijgesteld, en instellingen die zijn geregeld bij statuten niet, in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit, waarop het door de Zesde richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke BTW-stelsel met name is gebaseerd en dat zich ertegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, verschillend worden behandeld ter zake van de BTW-heffing (zie arresten van 16 september 2004, Cimber Air, C-382/02, Jurispr. blz. I-8379, punten 23 en 24, en 8 december 2005, Jyske Finans, C-280/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39).

57. Vervolgens moet de inhoud van het begrip „beheer” van gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden onderzocht.

58. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn geen definitie van dit begrip geeft.

59. Derhalve dient deze bepaling tegen de achtergrond van de context ervan en van de doelstellingen en de algemene opzet van deze richtlijn te worden uitgelegd, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de ratio legis van de vrijstelling waarin zij voorziet (zie in die zin arrest van 18 november 2004, Temco Europe, C-284/03, Jurispr. blz. I-11237, punt 18, en arrest Fonden Marselisborg Lystbådehavn, reeds aangehaald, punt 28).

60. Allereerst moet eraan worden herinnerd dat, aangezien de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen uitzonderingen vormen op het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, zij strikt moeten worden uitgelegd (zie met name arresten van 12 juni 2003, Sinclair Collis, C-275/01, Jurispr. blz. I-5965, punt 23, en 20 november 2003, Taksatorringen, C-8/01, Jurispr. blz. I-13711, punt 36).

61. Voorts volgt uit artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/611 dat de diensten van icbe’s bestaan in de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal. Met het kapitaal dat de inschrijvers deponeren door aandelen te kopen, vormen en beheren de icbe’s, voor rekening van de inschrijvers en tegen een vergoeding, effectenportefeuilles (zie arrest van 21 oktober 2004, BBL, C-8/03, Jurispr. blz. I-10157, punt 42).

62. Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het doel van de vrijstelling waarin artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn voor verrichtingen in verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen voorziet, met name kleine beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen mogelijk te maken. Punt 6 van deze bepaling beoogt te garanderen dat het gemeenschappelijke BTW-stelsel fiscaal neutraal is met betrekking tot de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

63. De handelingen waarvoor deze vrijstelling geldt, zijn dan ook de handelingen die specifiek zijn voor de activiteit van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

64. Derhalve vallen binnen de werkingssfeer van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, naast de taken van portefeuillebeheer, taken van administratie van gemeenschappelijke beleggingsfondsen zelf, zoals genoemd in bijlage II bij richtlijn 85/611, zoals gewijzigd, onder de rubriek „Administratie”; dit zijn taken die specifiek zijn voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

65. Onder deze bepaling vallen daarentegen niet taken van een bewaarder van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals die welke worden genoemd in de artikelen 7, leden 1 en 3, en 14, leden 1 en 3, van richtlijn 85/611. Deze taken behoren immers niet tot het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, maar tot de controle van en het toezicht op de activiteiten daarvan, waarvan het doel is, te garanderen dat het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen volgens de wet verloopt.

66. Wat de diensten van administratief beheer en verslaglegging van de fondsen door een derde beheerder betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat, evenals de krachtens artikel 13, B, sub d, punten 3 en 5, van de Zesde richtlijn vrijgestelde handelingen (zie arrest van 5 juni 1997, SDC, C-2/95, Jurispr. blz. I-3017, punt 32), het in punt 6 van die bepaling bedoelde beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen moet worden gedefinieerd op basis van de aard van de geleverde diensten en niet op basis van de verrichter of de ontvanger van de dienst.

67. Verder sluit de formulering van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn in beginsel niet uit dat het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen bestaat uit verschillende afzonderlijke diensten die dan onder het begrip „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling kunnen vallen en in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling waarin die bepaling voorziet, ook al worden zij door een derde beheerder verricht (zie in die zin met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 3, van de Zesde richtlijn arrest SDC, reeds aangehaald, punt 64, en met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 5, van deze richtlijn arrest van 13 december 2001, CSC Financial Services, C-235/00, Jurispr. blz. I-10237, punt 23).

68. In die omstandigheden volgt uit het beginsel van fiscale neutraliteit dat de marktdeelnemers het organisatiemodel moeten kunnen kiezen dat hun uit strikt economisch oogpunt het beste uitkomt, zonder het risico te lopen dat hun activiteiten worden uitgesloten van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

69. Hieruit volgt dat de beheersdiensten die worden verleend door een derde beheerder in beginsel onder artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn vallen.

70. Om evenwel als vrijgesteld in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn te kunnen worden aangemerkt, moeten de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van een in punt 6 beschreven dienst vervult (zie in die zin met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn reeds aangehaalde arresten SDC, punt 66, en CSC Financial Services, punt 25).

71. De diensten moeten dus betrekking hebben op de onderdelen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Eenvoudige materiële of technische diensten, zoals de terbeschikkingstelling van een systeem van gegevensverwerking, vallen niet onder artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (zie in die zin met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 3, arrest SDC, reeds aangehaald, punt 66).

72. Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, onder het begrip „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling vallen, wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, en kenmerkend en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

73. Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten aan deze criteria beantwoorden.

74. Uit het voorgaande volgt dat op de tweede en de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, onder het begrip „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling vallen, wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, en kenmerkend en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Niet onder dit begrip vallen daarentegen diensten die overeenkomen met de taken van een bewaarder, zoals die welke zijn genoemd in de artikelen 7, leden 1 en 3, en 14, leden 1 en 3, van richtlijn 85/611.

Kosten

75. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Het begrip „beheer” van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als bedoeld in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, is een autonoom gemeenschapsrechtelijk begrip, waarvan de lidstaten de inhoud niet kunnen wijzigen.

2) Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, onder het begrip „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling vallen, wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, en kenmerkend en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Niet onder dit begrip vallen daarentegen diensten die overeenkomen met de taken van een bewaarder, zoals die welke zijn genoemd in de artikelen 7, leden 1 en 3, en 14, leden 1 en 3, van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s).