Available languages

Taxonomy tags

Info

References in this case

References to this case

Share

Highlight in text

Go

Zaak C-512/03

J. E. J. Blanckaert

tegen

Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen

(verzoek van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch om een prejudiciële beslissing)

„Directe belasting – Belasting over inkomen uit sparen en beleggen – Belastingverdrag – Belastingkortingen voorbehouden aan verzekerden op grond van nationale volksverzekeringen”

Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 12 mei 2005 

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 september 2005 

Samenvatting van het arrest

Vrij verkeer van kapitaal – Beperkingen – Belasting over inkomen uit sparen en beleggen – Nationale regeling die recht op belastingkortingen uit hoofde van volksverzekeringen voorbehoudt aan belastingplichtige ingezetenen die zijn verzekerd op grond van nationale volksverzekeringen – Toelaatbaarheid

(Art. 56 EG en 58 EG)

De artikelen 56 EG en 58 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat een buitenlandse belastingplichtige met in deze staat uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, die niet is verzekerd op grond van de volksverzekeringen van deze lidstaat, geen aanspraak kan maken op de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen, terwijl een binnenlandse belastingplichtige die wél is verzekerd op grond van die verzekeringen, bij de berekening van zijn belastbaar inkomen wel recht heeft op die kortingen, ook al geniet hij uitsluitend inkomen van diezelfde aard en draagt hij geen premie volksverzekeringen af.

Weliswaar kan deze regeling immers het vrije kapitaalverkeer belemmeren doordat de minder gunstige fiscale behandeling van niet-ingezetenen hen ervan zou kunnen weerhouden om in die lidstaat beleggingen te doen die inkomen opleveren dat wordt aangemerkt als inkomen uit sparen en beleggen, doch zij kan uit het oogpunt van artikel 58, lid 1, sub a, EG haar rechtvaardiging vinden in het objectieve verschil tussen de situatie van een verzekerde voor de nationale volksverzekeringen en die van degene die niet in dat stelsel verzekerd is.

Aangezien voorts het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten onverlet laat, staat het bij ontbreken van harmonisatie op communautair niveau de betrokken lidstaat vrij om de kring van verzekerden en de hoogte van de door de verzekerden voor de nationale volksverzekeringen verschuldigde premies alsmede de daarmee verband houdende kortingen vast te stellen. De systematiek van een dergelijk stelsel brengt bovendien mee dat de toekenning van de heffingskortingen voorbehouden blijft aan de premieplichtigen, te weten de verzekerden in dat stelsel.

(cf. punten 39, 49-51 en dictum)




ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

8 september 2005 (*)

„Directe belasting – Belasting over inkomen uit sparen en beleggen – Belastingverdrag – Belastingkortingen voorbehouden aan verzekerden voor nationale volksverzekeringen”

In zaak C-512/03,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (Nederland) bij beslissing van 4 december 2003, ingekomen bij het Hof op 8 december 2003, in de procedure

J. E. J. Blanckaert

tegen

Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, N. Colneric, K. Schiemann, E. Juhász en M. Ilešič, rechters,

advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 maart 2005,

gelet op de opmerkingen van:

–       J. E. J. Blanckaert, vertegenwoordigd door P. J. M. de Graaf, adviseur,

–       de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster en C. ten Dam als gemachtigden,

–       de Duitse regering, vertegenwoordigd door A. Tiemann en W.-D. Plessing als gemachtigden,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en A. Weimar als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 mei 2005,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de vraag of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een nationale regeling die alleen degenen die verzekerd zijn voor de volksverzekeringen de mogelijkheid geeft om de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen te laten gelden indien de in het kader van die verzekeringen toegekende heffingskortingen niet volledig konden worden verrekend met de verschuldigde premies volksverzekeringen.

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J. E. J. Blanckaert en de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen over de weigering van de Inspecteur om heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen in aanmerking te nemen.

 Toepasselijke bepalingen

 Bepalingen van gemeenschapsrecht

3       Artikel 56, lid 1, EG bepaalt:

„In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.”

4       Artikel 58, lid 1, EG luidt als volgt:

„Het bepaalde in artikel 56 doet niets af aan het recht van de lidstaten:

a)      de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;

b)      alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied [...].”

5       In artikel 58, lid 3, EG heet het:

„De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 56.”

6       Artikel 13, lid 1, van verordening EEG nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998 (PB L 209, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”) bepaalt dat werknemers en zelfstandigen slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat zijn onderworpen.

7       Overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub a en b, van die verordening is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.

 Bepalingen van nationaal recht

 Regeling inzake de volksverzekeringen

8       De volksverzekeringen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, zijn geregeld in de Algemene Ouderdomswet, in de Algemene Nabestaandenwet en in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Volgens deze drie socialezekerheidswetten worden als verzekerden aangemerkt degene die ingezetene in Nederland is en degene die geen ingezetene is doch ter zake van in deze lidstaat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

9       Artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, preciseert echter dat de personen die in Nederland wonen en die hun beroepsactiviteiten in een andere lidstaat verrichten, zijn aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van laatstbedoelde lidstaat.

10     Overeenkomstig artikel 6 van de Wet financiering volksverzekeringen (hierna: „WFV”), is premieplichtig voor de volksverzekeringen: de verzekerde.

11     Artikel 8 van de WFV bepaalt dat deze premies worden vastgesteld op basis van het belastbare inkomen uit werk en woning van de verzekerde. De verschuldigde premies zijn een percentage van dat inkomen. Het aldus verkregen bedrag wordt echter ingevolge artikel 10 van deze wet verminderd met de heffingskortingen voor de in punt 8, eerste volzin, van het onderhavige arrest genoemde volksverzekeringen (hierna: „heffingskortingen volksverzekeringen”).

 Belastingregeling

12     Overeenkomstig artikel 2.1, eerste alinea, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: „Wet IB”) zijn belastingplichtig voor de inkomstenbelasting de natuurlijke personen die in Nederland wonen (binnenlandse belastingplichtigen) en zij die niet in deze lidstaat wonen maar daar wel inkomen genieten (buitenlandse belastingplichtigen).

13     Artikel 2.3 van de Wet IB bepaalt dat de inkomstenbelasting wordt geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten:

a)      belastbare inkomen uit werk en woning;

b)      belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, en

c)      belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

14     Krachtens artikel 5.2 van de Wet IB wordt het voordeel uit sparen en beleggen wettelijk gesteld op 4 % van het gemiddelde van de waarde van de bezittingen, verminderd met de waarde van de schulden, aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar, voorzover dat gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Dit bedroeg op het tijdstip van de feiten 17 600 EUR en beoogt kleine spaarders buiten de heffing over inkomen uit sparen en beleggen te houden.

15     De inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen worden geïnd door de Nederlandse belastingdienst.

16     Binnenlandse belastingplichtigen genieten het voordeel van een heffingvrij vermogen en van verschillende heffingskortingen voor de inkomstenbelasting. Indien zij verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen, kunnen zij tevens aanspraak maken op de heffingskortingen volksverzekeringen.

17     Artikel 2.7, lid 2, van de Wet IB bepaalt dat indien de belastingplichtige premieplichtig is voor de volksverzekeringen, en de heffingskortingen daarvoor niet volledig kunnen worden verrekend met de verschuldigde premie, het bedrag van de inkomstenbelasting met dat niet verrekende deel wordt verminderd. De heffingskortingen volksverzekeringen kunnen aldus worden omgezet in belastingkortingen.

18     Buitenlandse belastingplichtigen hebben geen recht op een heffingvrij vermogen en evenmin op de heffingskortingen voor de inkomstenbelasting. Zij hebben slechts recht op de heffingskortingen volksverzekeringen indien zij zijn verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen.

19     Buitenlandse belastingplichtigen die in Nederland uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen hebben, zijn niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen en hebben, anders dan de binnenlandse belastingplichtigen met dit soort inkomen, geen recht op belastingkortingen bij wege van heffingskortingen volksverzekeringen.

20     Ingevolge artikel 2.5 van de wet IB kunnen buitenlandse belastingplichtigen ervoor kiezen om te worden gelijkgesteld met binnenlandse belastingplichtigen. De uitoefening van dit keuzerecht betekent enerzijds dat die belastingplichtigen recht hebben op het heffingvrije vermogen en op de heffingskortingen voor de inkomstenbelasting, zonder echter de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen te kunnen laten gelden, indien zij in Nederland uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen hebben, en anderzijds dat zij in Nederland worden belast over hun wereldinkomen.

 Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting

21     Artikel 25, lid 3, van de op 19 oktober 1970 tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden gesloten overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting (Tractatenblad 1970, 192) bepaalt in algemene bewoordingen dat „natuurlijke personen die inwoner zijn van een van de staten in de andere staat dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin genieten als de laatstbedoelde staat aan zijn eigen inwoners verleent”.

22     Het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 februari 2002 bepaalt dat bij de berekening van de verschuldigde belasting over het inkomen uit sparen en beleggen van in België wonende buitenlandse belastingplichtigen rekening wordt gehouden met het heffingvrije vermogen en de heffingskortingen voor de inkomstenbelasting. Belastingkortingen in de vorm van heffingskortingen volksverzekeringen worden aan deze belastingplichtigen evenwel niet toegekend.

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

23     Blanckaert heeft de Belgische nationaliteit en woont in België. Samen met zijn echtgenote is hij eigenaar van een vakantiewoning in Nederland. Deze woning levert hem inkomen uit sparen en beleggen op in de zin van artikel 2.3 van de Wet IB.

24     Blanckaert geniet minder dan 90 % van zijn inkomen in Nederland. Het enige belastbare inkomen dat hij er geniet, is het inkomen uit zijn vakantiewoning. Hij heeft er niet voor gekozen om te worden gelijkgesteld met een binnenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 2.5 van de Wet IB.

25     Hij is niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen en is bijgevolg in Nederland niet premieplichtig voor de volksverzekeringen.

26     Aan Blanckaert is door de Nederlandse belastingdienst voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd wegens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Ingevolge de overeenkomst van 19 oktober 1970 tot het vermijden van dubbele belasting is bij de berekening van de aanslag rekening gehouden met het heffingvrije vermogen en met de heffingskortingen voor de inkomstenbelasting. De heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen werden hem daarentegen niet toegekend.

27     Blanckaert heeft bij verweerder in het hoofdgeding bezwaar gemaakt tegen deze belastingaanslag over 2001. Dit bezwaar werd afgewezen. Blanckaert heeft tegen deze afwijzende beslissing beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

28     Van oordeel dat het EG-Verdrag en de rechtspraak van het Hof geen duidelijk antwoord geven op de in het bij hem aanhangige geding gerezen vragen, heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:

„1)      Heeft een buitenlandse belastingplichtige inwoner van een lidstaat, die in Nederland geen inkomen uit werk maar slechts inkomen uit sparen en beleggen geniet en daarom dus niet premieplichtig is en geen premie afdraagt voor de Nederlandse volksverzekeringen, bij de berekening van zijn belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, op grond van het EG-recht recht op toekenning door Nederland van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen (de algemene ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten), indien een binnenlandse belastingplichtige bij de berekening van zijn belastbaar inkomen uit sparen en beleggen recht heeft op deze heffingskortingen, omdat hij als verzekerde en premieplichtige voor de Nederlandse volksverzekeringen wordt aangemerkt, zelfs indien ook hij in Nederland geen inkomen uit werk maar slechts inkomen uit sparen en beleggen geniet en om die reden geen premie afdraagt voor de Nederlandse volksverzekeringen?

2)      Is het bij de beantwoording van de eerste vraag van belang of de buitenlandse belastingplichtige meer of minder dan 90 % van zijn gezinsinkomen in Nederland geniet? Meer in het bijzonder:

a)      Is de Schumacker-test [arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, Jurispr. blz. I-225] voor ingezetenen en niet-ingezetenen alleen van toepassing ingeval van subjectieve of persoonsgebonden belastingaspecten, zoals het recht van aftrek van persoons- en gezinsgebonden kosten, of ook voor objectieve of niet persoonsgebonden belastingaspecten, zoals het belastingtarief?

b)      Mogen lidstaten bij de beslissing of zij de niet-ingezetene behandelen als een ingezetene een kwantitatieve regel (zoals de 90 %-regel) hanteren ondanks het feit dat hierdoor niet wordt gegarandeerd dat iedere discriminatie wordt opgeheven?

3)      Is de optieregeling als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001 een afdoende procedurele remedie die garandeert dat belanghebbende gebruik kan maken van zijn rechten zoals die door het EG-Verdrag worden gewaarborgd en die iedere vorm van discriminatie uitsluit?

Zo ja, is dat ook in dit geval, waarbij belanghebbende slechts inkomen uit sparen en beleggen geniet, een voldoende remedie nu […] de optieregeling belanghebbende niet kan baten?”

 De prejudiciële vragen

29     De vragen van de verwijzende rechter vermelden geen enkele specifieke bepaling van gemeenschapsrecht. Zij verwijzen enkel naar het „gemeenschapsrecht” in het algemeen en naar de „rechten […] die door het EG-Verdrag worden gewaarborgd”.

30     Blijkens de bewoordingen van de vragen, gelezen in samenhang met de motivering van de verwijzingsbeschikking, hebben zij echter betrekking op de uitlegging van de artikelen 56 EG en 58 EG. In die motivering brengt de verwijzende rechter immers in herinnering dat deze bepalingen „alle belemmeringen op het kapitaalverkeer tussen lidstaten verbieden, hetgeen een verbod van discriminerende belemmeringen omvat”. Deze rechter beklemtoont dat de investering in onroerend goed door verzoeker in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze bepalingen kan vallen.

 De eerste vraag

31     Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 56 EG en 58 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin wordt geweigerd de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen toe te kennen aan een in België woonachtige persoon die niet is verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen en wiens belastbare inkomen in Nederland uitsluitend voortkomt uit sparen en beleggen, terwijl een in deze lidstaat woonachtige persoon die verzekerd is voor de volksverzekeringen en inkomen van dezelfde aard geniet, wél recht heeft op dergelijke kortingen, zelfs indien hij geen premie volksverzekeringen afdraagt omdat hij geen inkomen uit werk of woning heeft.

32     Blanckaert betoogt dat de nationale regeling waar het in het hoofdgeding om gaat, tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen leidt. De situatie van een ingezetene in Nederland met uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, die geen premie volksverzekeringen afdraagt, is immers vergelijkbaar met de situatie van een niet-ingezetene die in Nederland eveneens uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen heeft en evenmin premie afdraagt voor de Nederlandse volksverzekeringen.

33     De Duitse en de Nederlandse regering alsmede de Commissie betogen dat het voordeel dat de ingezetenen genieten, tot het socialezekerheidsrecht behoort. Zij menen dat er een objectief verschil bestaat tussen enerzijds de situatie van een buitenlandse (niet-­ingezeten) belastingplichtige met uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, zoals Blanckaert, die niet is verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen en hiervoor dus niet premieplichtig is, en anderzijds de situatie van een binnenlandse (ingezeten) belastingplichtige met hetzelfde soort inkomen, die wél verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen en op grond daarvan in beginsel premieplichtig is. Dit verschil in situatie vormt een rechtvaardiging voor het verschil in behandeling van deze twee categorieën belastingplichtigen.

34     Blanckaert, die in België woont, heeft belegd in onroerend goed in Nederland. Ingevolge de artikelen 2.3 en 5.2 van de Wet IB levert de belegging hem fictief inkomen op dat in Nederland wordt belast als inkomen uit sparen en beleggen.

35     Blijkens vaste rechtspraak omvat het kapitaalverkeer in de zin van artikel 56 EG handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen (zie arresten van 16 maart 1999, Trummer en Mayer, C-222/97, Jurispr. blz. I-1661, punt 21; 11 januari 2001, Stefan, C-464/98, Jurispr. blz. I-173, punt 5, en 5 maart 2002, Reisch e.a., C-515/99, C-519/99C-524/99 en C-526/99C-540/99, Jurispr. blz. I-2157, punt 30).

36     Derhalve dient te worden onderzocht of de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten meebrengt doordat zij een beperkende werking heeft ten aanzien van degenen die in een andere lidstaat dan Nederland wonen en in Nederland in onroerend goed wensen te beleggen.

37     Overeenkomstig artikel 2.7, lid 2, van de Wet IB zijn de heffingskortingen volksverzekeringen, die eventueel in aftrek worden gebracht op de inkomstenbelasting over het betrokken jaar – die ook over inkomen uit beleggingen in onroerend goed wordt geheven – voorbehouden aan de belastingplichtigen die verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen.

38     Het door de Nederlandse regeling gehanteerde criterium van het al dan niet verzekerd zijn, bevoordeelt in de meeste gevallen de ingezetenen van deze lidstaat. Niet voor de volksverzekeringen verzekerde belastingplichtigen zijn immers meestal niet-ingezetenen.

39     De minder gunstige fiscale behandeling van niet-ingezetenen zou hen ervan kunnen weerhouden om in Nederland in onroerend goed te beleggen. Deze regeling kan het vrije kapitaalverkeer dus belemmeren.

40     Nagegaan dient echter te worden of een dergelijke beperking van het vrije kapitaalverkeer is gerechtvaardigd uit het oogpunt van de verdragsbepalingen.

41     In dit verband bepaalt artikel 58, lid 1, sub a, EG dat „het bepaalde in artikel 56 niets afdoet aan het recht van de lidstaten […] de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats […]”.

42     Er moet echter onderscheid worden gemaakt tussen de ongelijke behandelingen die krachtens artikel 58, lid 1, sub a, EG zijn toegestaan, en de willekeurige discriminaties die bij lid 3 van dat artikel zijn verboden. Blijkens de rechtspraak kan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, enkel verenigbaar met de verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer worden geacht indien het verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (arresten van 6 juni 2000, Verkooijen, C-35/98, Jurispr. blz. I-4071, punt 43, en 7 september 2004, Manninen, C-319/02, Jurispr. blz. I-7477, punten 28 en 29).

43     De vraag rijst dus of er wat de toekenning van de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen betreft, een objectief verschil bestaat tussen de situatie van een niet-ingezetene, zoals Blanckaert, en die van een ingezetene, die gelijk verzoeker in het hoofdgeding, in Nederland uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen heeft.

44     Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat het belastingvoordeel waarop de belastingplichtige die in Nederland belastbaar inkomen heeft, aanspraak kan maken, enkel als zodanig moet worden aangemerkt indien de heffingskortingen volksverzekeringen niet volledig met de verschuldigde premies volksverzekeringen kunnen worden verrekend.

45     De nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, benadeelt in fiscaal opzicht weliswaar in het bijzonder niet-ingezetenen, doch de toekenning van de heffingskortingen volksverzekeringen is rechtstreeks en uitsluitend gekoppeld aan het feit dat de betrokken belastingplichtige verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen is. Zowel de voor de volksverzekeringen verzekerde ingezetenen als de hiervoor verzekerde niet-ingezetenen hebben immers recht op deze kortingen, terwijl de ingezetenen en niet-ingezetenen die hiervoor niet verzekerd zijn, daar geen recht op hebben.

46     In dit verband betoogt verzoeker in het hoofdgeding dat een in Nederland ingezeten (binnenlandse) belastingplichtige met uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, als verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen werkelijke belastingkortingen uit hoofde van de volksverzekeringen geniet. Hij draagt immers geen premie volksverzekeringen af omdat hij geen inkomen uit werk en woning heeft, zodat de heffingskortingen hiervoor niet kunnen worden verrekend met de premie volksverzekeringen. Daarentegen is een niet-ingezeten (buitenlandse) belastingplichtige met in Nederland enkel inkomen uit sparen en beleggen, niet verzekerd voor die verzekeringen en draagt hij in deze lidstaat evenmin premie volksverzekeringen af, maar hij kan geen aanspraak maken op de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen.

47     De toekenning van het voordeel dat in het hoofdgeding aan de orde is, aan personen die niet verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen, zou er echter op neerkomen dat ongelijke situaties gelijk worden behandeld aangezien de betrokken verzekerden slechts bij uitzondering recht hebben op de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen. De verzekerde kan dergelijke belastingkortingen immers enkel verkrijgen in het geval dat hij de heffingskortingen niet met de verschuldigde premies kan verrekenen. Een niet-verzekerde, zoals verzoeker in het hoofdgeding, zou daarentegen altijd en automatisch recht hebben op belastingkortingen uit hoofde van de toekenning van de heffingskortingen volksverzekeringen. Omdat hij niet premieplichtig is kan een dergelijke persoon die kortingen immers nooit met de verschuldigde premies volksverzekeringen verrekenen.

48     Vervolgens is het van belang vast te stellen dat de nationale regeling inzake de kring van verzekerden voor de Nederlandse volksverzekeringen in overeenstemming is met artikel 13, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1408/71. Ingezetenen die hun beroepsactiviteiten buiten Nederland verrichten, vallen immers niet onder dat verzekeringsstelsel, terwijl niet-ingezetenen die in deze lidstaat werken, wél daaronder vallen.

49     Aangezien het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten onverlet laat (arrest van 13 mei 2003, Müller-Fauré en Van Riet, C-385/99, Jurispr. blz. I-4509, punt 100), staat het bij ontbreken van harmonisatie op communautair niveau de betrokken lidstaat vrij om de kring van verzekerden en de hoogte van de door de verzekerden voor de nationale volksverzekeringen verschuldigde premies alsmede de daarmee verband houdende kortingen vast te stellen. De systematiek van een dergelijk stelsel brengt bovendien mee dat de toekenning van de heffingskortingen voorbehouden blijft aan de premieplichtigen, te weten de verzekerden in dat stelsel.

50     Daaruit volgt dat een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, uit het oogpunt van artikel 58, lid 1, sub a, EG haar rechtvaardiging kan vinden in het objectieve verschil tussen de situatie van een verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen en die van degene die niet in dat stelsel verzekerd is.

51     Mitsdien dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 56 EG en 58 EG aldus moeten worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat een buitenlandse (niet-ingezeten) belastingplichtige met in deze staat uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, die niet is verzekerd voor de volksverzekeringen van deze lidstaat, geen aanspraak kan maken op de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen, terwijl een binnenlandse (ingezeten) belastingplichtige die wél verzekerd is voor die verzekeringen, bij de berekening van zijn belastbaar inkomen wel recht heeft op die kortingen, ook al geniet hij uitsluitend inkomen van diezelfde aard en draagt hij geen premie volksverzekeringen af.

 De tweede en de derde vraag

52     Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de tweede en de derde vraag van de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.

 Kosten

53     Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 56 EG en 58 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat een buitenlandse (niet-ingezeten) belastingplichtige met in deze staat uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, die niet is verzekerd voor de volksverzekeringen van deze lidstaat, geen aanspraak kan maken op de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen, terwijl een binnenlandse (ingezeten) belastingplichtige die wél is verzekerd voor die verzekeringen, bij de berekening van zijn belastbaar inkomen wel recht heeft op die kortingen, ook al geniet hij uitsluitend inkomen van diezelfde aard en draagt hij geen premie volksverzekeringen af.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.