Available languages

Taxonomy tags

Info

References in this case

Share

Highlight in text

Go

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

8 juni 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 56 VWEU – Artikel 36 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte – Belastingwetgeving – Inkomstenbelasting – Belastingvrijstelling die uitsluitend geldt voor interesten betaald door banken die voldoen aan bepaalde wettelijke voorwaarden – Indirecte discriminatie – Banken die in België zijn gevestigd en banken die in een andere lidstaat zijn gevestigd”

In zaak C-580/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) bij beslissing van 28 oktober 2015, ingekomen bij het Hof op 9 november 2015, in de procedure

Maria Eugenia Van der Weegen,

Miguel Juan Van der Weegen,

Anna Pot,

als rechtsopvolgers van Johannes Van der Weegen, overleden,

Anna Pot

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vijfde kamer, M. Berger (rapporteur), A. Borg Barthet en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 september 2016,

gelet op de opmerkingen van:

–        Maria Eugenia Van der Weegen, Miguel Juan Van der Weegen en Anna Pot, vertegenwoordigd door C. Hendrickx en M. Vandendijk, advocaten,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.-C. Halleux en M. Jacobs als gemachtigden, bijgestaan door S. D. D’Aiola, deskundige,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels als gemachtigde,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 56 en 63 VWEU alsmede de artikelen 36 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Maria Eugenia Van der Weegen, Miguel Juan Van der Weegen, Anna Pot, als rechtsopvolgers van Johannes Van der Weegen, en Anna Pot, enerzijds, en de Belgische Staat, anderzijds, over de weigering van het voordeel van een belastingvrijstelling voor de vergoeding van een spaardeposito in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België.

 Belgisch recht

3        Artikel 21 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: „WIB 1992”), zoals van toepassing in aanslagjaar 2010 (inkomstenjaar 2009), bepaalde:

„De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet:

[...]

5°      de eerste schijf van 1 730 EUR (basisbedrag 1 250 EUR) per jaar van de inkomsten uit spaardeposito’s die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn zijn ontvangen door de in België gevestigde kredietinstellingen die vallen onder de Wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, met dien verstande dat:

–        deze deposito’s bovendien moeten voldoen aan de vereisten die de Koning stelt op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen [...] wat betreft de munt waarin deze deposito’s luiden en de voorwaarden en de wijze van terugneming en opneming, evenals wat betreft de structuur en het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan;

[...]”

4        In zijn arrest van 6 juni 2013, Commissie/België (C-383/10, EU:C:2013:364), heeft het Hof geoordeeld dat die bepaling in strijd was met artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst.

5        Artikel 21, 5°, WIB 1992 is bij artikel 170 van de Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad, 7 mei 2014, blz. 36946; hierna: „wet van 25 april 2014”) als volgt gewijzigd:

„De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet:

[...]

5° de eerste schijf van 1 250 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) per jaar van de inkomsten uit spaardeposito’s die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn zijn ontvangen door de in artikel 56, § 2, 2°, 2a bedoelde kredietinstellingen, met dien verstande dat:

–        deze deposito’s bovendien moeten voldoen aan de vereisten die de Koning stelt op advies van de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, ieder wat zijn bevoegdheden betreft, wat de munt betreft waarin deze deposito’s luiden en de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming, evenals wat de structuur, het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan betreft, of, voor de deposito’s die zijn ontvangen door kredietinstellingen die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, deze deposito’s aan analoge vereisten moeten voldoen zoals vastgesteld door de gelijkwaardige bevoegde overheidsinstanties van de andere lidstaat;

[...]”

6        In de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 21, 5°, WIB 1992 staat te lezen:

„Dat de voorwaarden ‚analoog’ moeten zijn, wil om te beginnen zeggen dat de spaarboekjes aan dezelfde voorwaarden onderworpen moeten zijn als de basisvoorwaarden die in artikel 21, 5°, WIB 92 vermeld zijn; en dat ze bovendien voldoen aan de in de betrokken lidstaat van overheidswege gestelde vereisten inzake de munt waarin de deposito’s luiden, en inzake de voorwaarden en wijze van terugneming, en opneming, evenals wat betreft de structuur, het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan. Deze laatste vereisten moeten gelijkwaardig zijn aan de in België geldende vereisten. Dit wil zeggen, dat ze – zonder identiek te zijn – van vergelijkbare strekking moeten zijn. [...]”

7        Het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad, 13 september 1993, blz. 20096), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 december 2008 (Belgisch Staatsblad, 22 december 2008, blz. 67513) (hierna: „KB/WIB 1992”), bepaalt aan welke criteria de in artikel 21, 5°, WIB 1992 bedoelde spaardeposito’s bovendien moeten voldoen om voor toepassing van dat artikel in aanmerking te komen.

8        Artikel 2 KB/WIB 1992 bepaalt:

„Om voor de toepassing van artikel 21, 5°, van het [WIB 1992] in aanmerking te komen, moeten de in dat artikel vermelde spaardeposito’s aan de volgende vereisten voldoen:

1°      de spaardeposito’s moeten in euro zijn uitgedrukt;

2°      van de spaardeposito’s kunnen, rechtstreeks of via een zichtrekening, slechts opvragingen worden gedaan voor volgende verrichtingen:

a)      terugbetaling in specie;

b)      transfer of overschrijving, niet krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, naar een rekening op naam van de titularis van het spaardeposito;

c)      transfer naar een spaardeposito bij dezelfde instelling, op naam van de echtgeno(o)t(e) of van een familielid tot en met de tweede graad van de titularis van het spaardeposito;

[...]

3°      de opvragingsvoorwaarden dienen te voorzien in de mogelijkheid voor de instelling-depositaris de opvragingen afhankelijk te stellen van een opzeggingstermijn van 5 kalenderdagen wanneer zij 1 250 EUR overtreffen en ze te beperken tot 2 500 EUR per halve maand;

4°      a)      de vergoeding van de spaardeposito’s bestaat verplicht maar ook uitsluitend uit:

–        een basisrente; en

–        een getrouwheidspremie;

b)      de basisrente en de getrouwheidspremie worden berekend tegen een rentevoet uitgedrukt op jaarbasis.

De deposito’s brengen een basisrente op ten laatste vanaf de kalenderdag die volgt op de kalenderdag van de storting en brengen geen rente meer op vanaf de kalenderdag van de opvraging.

Stortingen en opvragingen op dezelfde kalenderdag worden gecompenseerd voor de berekening van de basisrente en de getrouwheidspremie.

De verworven basisrente wordt eens per kalenderjaar gestort op het deposito om, in afwijking van het tweede lid, een basisrente op te brengen vanaf 1 januari van het jaar.

Aan de titularis van een spaardeposito mag geen debetrente worden gevraagd.

De getrouwheidspremie wordt toegekend voor de deposito’s die gedurende twaalf opeenvolgende maanden op dezelfde rekening ingeschreven blijven.

In geval van overdracht van een spaardeposito naar een ander spaardeposito geopend op naam van dezelfde titularis bij dezelfde instelling, anders dan krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, blijft de premieverwervingsperiode voor het eerste spaardeposito verworven, op voorwaarde dat het bedrag van de overdracht minimaal 500 euro bedraagt en de betrokken titularis tijdens hetzelfde kalenderjaar nog geen drie soortgelijke overdrachten vanop hetzelfde spaardeposito heeft uitgevoerd. [...]

c)      de basisrentevoet die een instelling voor de ontvangen spaardeposito’s toekent, mag het hoogste van de volgende twee percentages niet overschrijden:

–        3 pct.;

–        het percentage voor basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank dat van toepassing is op de tiende van de maand die het lopende kalendersemester voorafgaat.

Elke stijging van de basisrentevoet wordt gedurende een periode van minstens drie maanden behouden, behalve bij een daling van het percentage voor basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank.

De aangeboden rentevoet van de getrouwheidspremie mag, onverminderd het bepaalde onder littera e) hierna,

–        niet hoger liggen dan 50 pct. van de maximale basisrentevoet waarvan sprake in het eerste lid. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een tiende percent, wordt de maximale rentevoet van de getrouwheidspremie op het lagere tiende percent afgerond;

–        niet lager liggen dan 25 pct. van de aangeboden basisrentevoet. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een tiende percent, wordt de minimale rentevoet van de getrouwheidspremie afgerond op het lagere tiende percent;

d)      per spaardeposito is, op hetzelfde ogenblik, slechts één basisrentevoet van toepassing;

e)      de getrouwheidspremie die op een bepaald ogenblik wordt toegekend, is dezelfde voor nieuwe stortingen en voor spaartegoeden waarvoor een nieuwe getrouwheidsperiode begint te lopen. Onverminderd de toepassing van de bepaling onder 4°, b), zevende lid, blijft de getrouwheidspremie die van toepassing is op het ogenblik van de storting of bij het begin van een nieuwe getrouwheidsperiode, van toepassing voor de volledige getrouwheidsperiode;

5°      de instelling-depositaris gaat na of de in artikel 21, 5°, WIB 92, voorziene grens is bereikt telkens de basisrente en de getrouwheidspremie in rekening worden gebracht en neemt daarbij alle bedragen in aanmerking die tijdens de belastbare periode werden toegekend.”

9        De administratie heeft in dit verband Circulaire AAFisc nr. 22/2014 (nr. Ci.RH.231/633.479) van 12 juni 2014 vastgesteld, waarvan titel 2, „Vereisten waaraan de buitenlandse spaardeposito’s die worden bedoeld door de vrijstelling moeten voldoen”, als volgt luidt:

„4.      Overeenkomstig art. 21, 5°, WIB 92 [...] moeten de buitenlandse spaardeposito’s voldoen aan de vereisten zoals vastgesteld door de wetgever (of een uitvoerende overheidsinstantie die bevoegd is voor de toepassing van de fiscale wetgeving) en die het voorwerp zijn geweest van een voorafgaand advies van instanties die gelijkwaardig zijn aan de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten.

5.      Bovendien moeten die vereisten analoog zijn aan de vereisten zoals gedefinieerd in art. 2 KB/WIB 92 met betrekking tot:

–        de munt waarin ze zijn uitgedrukt;

–        de voorwaarden en de wijze van terugneming en opneming;

–        en de structuur, het niveau en de berekeningswijze van hun vergoeding.

Voor een detail van die vereisten wordt verwezen naar dat art. 2 KB/WIB 92 [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10      Johannes Van der Weegen en Pot beschikten wat de aanslagjaren 2010 tot en met 2013 betreft over vijf spaarrekeningen bij in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België gevestigde financiële instellingen. Zij hebben aanspraak gemaakt op de belastingvrijstelling van artikel 21, 5°, WIB 1992, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2014.

11      Omdat geen enkele van die instellingen kon aantonen dat de bij hen aangehouden spaarrekeningen aan gelijkaardige voorwaarden voldeden als die welke geldig waren voor de Belgische gereglementeerde spaardeposito’s, met name wat de basisrente en de getrouwheidspremie betreft, hebben de Belgische belastingautoriteiten geweigerd om een belastingvrijstelling toe te kennen voor de inkomsten uit die spaardeposito’s.

12      Johannes Van der Weegen en Pot zijn tegen die beslissing opgekomen bij de verwijzende rechter, die zich afvraagt of artikel 21, 5°, WIB 1992, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, verenigbaar is met het Unierecht.

13      De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Schendt artikel 21, 5°, WIB 1992, zoals het is gewijzigd door artikel 170 Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen, de bepalingen van artikelen 56 en 63 VWEU alsmede de artikelen 36 en 40 van de EER-Overeenkomst aangezien de kwestieuze bepaling, hoewel ze zonder onderscheid geldt voor binnen- en buitenlandse dienstverrichters, vereist dat voldaan wordt aan voorwaarden die analoog zijn aan deze opgenomen in artikel 2 KB/WIB 1992 die de facto eigen zijn aan de Belgische markt en buitenlandse dienstverrichters bijgevolg ernstig belemmert hun diensten aan te bieden binnen België?”

14      Uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat Johannes Van der Weegen op 20 januari 2016 is overleden. Maria Eugenia Van der Weegen, Miguel Juan Van der Weegen en Pot zijn in zijn rechten gesteld.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

 Opmerkingen vooraf

15      In het arrest van 6 juni 2013, Commissie/België (C-383/10, EU:C:2013:364), heeft het Hof vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de invoering en instandhouding van een regeling waarbij door niet-ingezeten banken betaalde interesten discriminatoir worden belast als gevolg van de toepassing van een belastingvrijstelling die uitsluitend voor door ingezeten banken betaalde interesten geldt, de krachtens artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

16      Naar aanleiding van dat arrest is die regeling aldus gewijzigd dat de belastingvrijstelling thans ook voor door niet-ingezeten banken betaalde interesten geldt.

17      Volgens het bij de wet van 25 april 2014 gewijzigde WIB 1992 kunnen deposanten slechts in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling indien de betrokken spaardepositoregeling voldoet aan bepaalde wettelijke vereisten, zoals in euro uitgedrukte spaardeposito’s, een beperking van de terugnemingen en opnemingen, alsook een wijze van berekening van de vergoeding waarbij deze bestaat uit een basisrente en een getrouwheidspremie.

18      Het WIB 1992 bepaalt dat deposito’s die zijn ontvangen door kredietinstellingen die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, aan analoge vereisten moeten voldoen zoals vastgesteld door de bevoegde overheidsinstanties van die andere lidstaat.

19      Volgens de memorie van toelichting bij de wet van 25 april 2014 moeten „de voorwaarden ‚analoog’ [...] zijn, [dat wil zeggen] dat de spaarboekjes aan dezelfde voorwaarden onderworpen moeten zijn als de basisvoorwaarden die in artikel 21, 5°, WIB 92 vermeld zijn”.

20      Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Belgische regering verklaard dat die tekst aldus moet worden begrepen dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan door spaardeposito’s die worden aangehouden bij in een andere lidstaat dan België gevestigde banken, niet identiek hoeven te zijn aan die waaraan moet worden voldaan door spaardeposito’s die worden aangehouden bij in België gevestigde banken, maar dat het volstaat dat die voorwaarden analoog zijn.

21      Los van deze kwestie staat vast dat een spaardeposito bij een in België gevestigde bank of een in het buitenland gevestigde bank in ieder geval slechts de betrokken belastingvrijstelling kan genieten, indien het met name aan twee voorwaarden voldoet.

22      In de eerste plaats moet die spaarrekening worden onderworpen aan bepaalde beperkingen met betrekking tot de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming van die rekening en in de tweede plaats moet de vergoeding van die rekening uit een basisrente en een getrouwheidspremie bestaan.

23      De vraag van de verwijzende rechter moet in het licht van deze vaststellingen worden beantwoord.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

24      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 56 en 63 VWEU alsmede de artikelen 36 en 40 van de EER-Overeenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale belastingvrijstellingsregeling als die van artikel 21, 5°, WIB 1992, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, die weliswaar zonder onderscheid geldt voor inkomsten uit spaardeposito’s bij aanbieders van bankdiensten die in België zijn gevestigd of in een andere lidstaat van de EER, maar die is voorbehouden aan inkomsten uit spaardeposito’s bij banken die voldoen aan voorwaarden die de facto eigen zijn aan de nationale markt.

25      Voor de beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat een dergelijke nationale regeling onder de twee door de verwijzende rechter vermelde fundamentele vrijheden kan vallen, maar dat dit niet wegneemt dat de eventuele beperkende gevolgen van die regeling voor het vrije verkeer van kapitaal slechts het onvermijdelijke gevolg zijn van de eventuele beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting. Wanneer een nationale maatregel tegelijkertijd op meerdere fundamentele vrijheden betrekking heeft, onderzoekt het Hof de maatregel in beginsel slechts uit het oogpunt van één van deze vrijheden, indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de andere vrijheden volledig ondergeschikt zijn aan die ene en daarmee kunnen worden verbonden (zie naar analogie arresten van 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C-42/07, EU:C:2009:519, punt 47, en 11 maart 2010, Attanasio Group, C-384/08, EU:C:2010:133, punt 40, en beschikking van 28 september 2016, Durante, C-438/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:728, punt 14).

26      Bijgevolg moet de betrokken belastingvrijstellingsregeling uitsluitend in het licht van artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst worden onderzocht.

27      Voorts moet worden vastgesteld dat bankdiensten diensten in de zin van artikel 57 VWEU zijn. Artikel 56 VWEU verzet zich tegen de toepassing van elke nationale regeling die een dienstverrichter zonder objectieve rechtvaardiging belemmert in de mogelijkheid de vrijheid van dienstverrichting daadwerkelijk uit te oefenen (zie in die zin arrest van 14 januari 2016, Commissie/Griekenland, C-66/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:5, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      In casu wordt bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling voorzien in een belastingregeling die zonder onderscheid geldt voor vergoedingen van een spaardeposito die worden betaald door in België gevestigde banken en vergoedingen van een spaardeposito die worden betaald door in een andere lidstaat gevestigde banken.

29      Niettemin kan zelfs een nationale wettelijke regeling die – ongeacht de plaats waar de dienstverrichter is gevestigd – zonder onderscheid geldt voor alle diensten, een beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormen, wanneer op grond van die regeling een voordeel wordt voorbehouden aan gebruikers van diensten die voldoen aan bepaalde voorwaarden die de facto eigen zijn aan de nationale markt en dat voordeel derhalve wordt ontzegd aan gebruikers van andere in wezen soortgelijke diensten die niet voldoen aan de in die wettelijke regeling gestelde bijzondere voorwaarden. Een dergelijke wettelijke regeling tast immers de situatie van de gebruikers van de diensten als zodanig aan en kan hen dus ervan weerhouden de diensten van bepaalde dienstverrichters te gebruiken wanneer de door die dienstverrichters aangeboden diensten niet voldoen aan de in die wettelijke regeling gestelde voorwaarden, en kan bijgevolg de toegang tot de markt aan voorwaarden onderwerpen (zie in die zin arresten van 10 mei 1995, Alpine Investments, C-384/93, EU:C:1995:126, punten 26-28 en 35-38, en 10 november 2011, Commissie/Portugal, C-212/09, EU:C:2011:717, punten 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Bijgevolg moet in de eerste plaats worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, hoewel zij zonder onderscheid van toepassing is, de vrijheid van dienstverrichting belemmert.

31      In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals is vermeld in Circulaire AAFisc nr. 22/2014, de deposito’s moeten voldoen aan de in artikel 2 KB/WIB 1992 gestelde vereisten. In het bijzonder moeten opvragingen van deposito’s worden beperkt om deposito’s te onderscheiden van een rekening-courant en moet de vergoeding van de spaardeposito’s verplicht en uitsluitend bestaan uit een basisrente en een getrouwheidspremie.

32      Voorts blijkt uit de door de betrokkenen ter terechtzitting voor het Hof verstrekte toelichting dat in andere lidstaten van de EER dan het Koninkrijk België geen regeling inzake spaardeposito’s bestaat die voldoet aan de in artikel 2 KB/WIB 1992 gestelde voorwaarden, met name aan de voorwaarden inzake de vergoeding van de spaardeposito’s. Die wijze van vergoeding lijkt een bijzonder kenmerk van de Belgische bankenmarkt te vormen.

33      Derhalve heeft de betrokken nationale regeling, hoewel zij zonder onderscheid geldt voor vergoedingen van spaarrekeningen die zijn geopend bij in België en in andere lidstaten van de EER gevestigde kredietinstellingen, tot gevolg dat Belgische ingezetenen de facto ervan worden weerhouden om gebruik te maken van de diensten van in die andere lidstaten gevestigde banken en om bij deze laatste banken spaarrekeningen te openen en aan te houden, aangezien de door deze banken betaalde interesten niet in aanmerking kunnen komen voor de betrokken belastingvrijstelling, met name doordat de vergoeding van de spaarrekeningen niet bestaat uit een basisrente en een getrouwheidspremie.

34      Voorts kan die regeling houders van een spaarrekening bij een in België gevestigde bank die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling, ervan weerhouden hun spaartegoeden over te brengen naar een in een andere lidstaat gevestigde bank die geen rekeningen aanbiedt die aan deze voorwaarden voldoen.

35      Derhalve kan die regeling een in beginsel krachtens artikel 56, eerste alinea, VWEU verboden belemmering van de vrijheid van dienstverrichting vormen, doordat zij de toegang van in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters tot de Belgische bankenmarkt aan voorwaarden onderwerpt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, met name ten aanzien van de in punt 29 van het onderhavige arrest genoemde elementen.

36      In de tweede plaats moet worden nagegaan of die belemmering kan worden gerechtvaardigd door de redenen die de Belgische regering aanvoert.

37      Nationale maatregelen die de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, kunnen niettemin toelaatbaar zijn indien zij een doel van algemeen belang nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te verwezenlijken (zie met name arrest van 6 juni 2013, Commissie/België, C-383/10, EU:C:2013:364, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      De Belgische regering betoogt dat de betrokken regeling bijdraagt tot de bescherming van de consument. Zij benadrukt dat het daartoe noodzakelijk is dat Belgische ingezetenen over bestendige, beschermde, stabiele, voldoende en risicoloze spaartegoeden beschikken om hun grote of onvoorziene uitgaven te kunnen dekken.

39      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de bescherming van de consument een van de dwingende redenen van algemeen belang is die een beperking van de vrijheid van dienstverrichting kunnen rechtvaardigen (zie met name arrest van 23 januari 2014, Commissie/België, C-296/12, EU:C:2014:24, punt 47).

40      Derhalve staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de betrokken wettelijke regeling aan een dergelijke dwingende reden van algemeen belang beantwoordt.

41      Voorts dient die rechter zich ervan te vergewissen dat de betrokken belastingregeling, in de veronderstelling dat daarmee daadwerkelijk een dergelijke doelstelling wordt nagestreefd, niet verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstelling en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is.

42      Ook al zou de betrokken regeling aan een reden van algemeen belang beantwoorden, doordat die regeling de facto de vrijstelling ontzegt aan alle inkomsten van de spaarrekeningen die beschikbaar zijn op de interne markt – met uitzondering van inkomsten van rekeningen die worden aangehouden bij in België gevestigde banken –, zij kan immers spaarrekeningen uitsluiten die zijn geopend bij bankinstellingen, met name bij andere dan Belgische bankinstellingen, die de verwezenlijking mogelijk maken van dezelfde doelstelling als die van die regeling, namelijk de bescherming van de consument. In het bijzonder kan uit geen van de voor het Hof aangevoerde argumenten worden afgeleid dat de toepassing van de in artikel 2 KB/WIB 1992 gestelde voorwaarden inzake de vergoeding van de deposito’s noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstelling.

43      Bijgevolg kan de bescherming van de consument niet worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de betrokken belemmering van de vrijheid van dienstverrichting.

44      Artikel 36 van de EER-Overeenkomst is vergelijkbaar met artikel 56 VWEU, zodat de in de punten 27 tot en met 43 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen inzake dit laatste artikel ook voor dat artikel 36 gelden.

45      Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat op de prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, waarbij wordt voorzien in een nationale belastingvrijstellingsregeling, voor zover deze laatste regeling – hoewel zij zonder onderscheid geldt voor inkomsten uit spaardeposito’s bij aanbieders van bankdiensten die in België zijn gevestigd of in een andere lidstaat van de EER – de toegang van in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters tot de Belgische bankenmarkt aan voorwaarden onderwerpt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Kosten

46      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 56 VWEU en artikel 36 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, waarbij wordt voorzien in een nationale belastingvrijstellingsregeling, voor zover deze laatste regeling – hoewel zij zonder onderscheid geldt voor inkomsten uit spaardeposito’s bij aanbieders van bankdiensten die in België zijn gevestigd of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte – de toegang van in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters tot de Belgische bankenmarkt aan voorwaarden onderwerpt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


Da Cruz Vilaça

Lenaerts

Berger

Borg Barthet

 

Biltgen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juni 2017.

De griffier

 

De president van de Vijfde kamer

A. Calot Escobar

 

J. L. da Cruz Vilaça


*      Procestaal: Nederlands.