Available languages

Taxonomy tags

Info

References in this case

Share

Highlight in text

Go

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

30 april 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 63 VWEU – Vrij verkeer van kapitaal – Belasting op financiële transacties – Transacties met afgeleide financiële instrumenten waarvan het onderliggend effect is uitgegeven door een vennootschap die ingezetene is van de lidstaat van heffing – Belasting die verschuldigd is ongeacht de plaats waar de transactie is afgesloten – Administratieve en aangifteverplichtingen”

In zaak C-565/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Commissione tributaria regionale per la Lombardia (belastingrechter in tweede aanleg Lombardije, Italië) bij beslissing van 2 juli 2018, ingekomen bij het Hof op 6 september 2018, in de procedure

Société Générale SA

tegen

Agenzia delle Entrate – Direzione Regionale Lombardia Ufficio Contenzioso,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, P. G. Xuereb en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Société Générale SA, vertegenwoordigd door D. Conti en C. Romano, avvocati, en M. Gusmeroli, dottore commercialista,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en F. Tomat als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 18, 56 en 63 VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Société Générale SA en Agenzia delle Entrate – Direzione Regionale Lombardia Ufficio Contenzioso (belastingdienst – afdeling geschillen van de regionale directie Lombardije, Italië; hierna: „belastingdienst”) over een vordering tot teruggaaf van de door Société Générale betaalde belasting op financiële transacties met afgeleide financiële instrumenten.

 Italiaans recht

3        Artikel 1 van Legge n. 228 – Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (Legge di stabilità 2013) [wet nr. 228 houdende bepalingen tot opstelling van de jaar- en meerjarenbegroting van de staat (stabiliteitswet 2013)] van 24 december 2012 (GURI nr. 302 van 29 december 2012, gewoon supplement nr. 212, blz. 1; hierna: „wet nr. 228/2012”) bepaalt in de leden 491, 492 en 494 het volgende:

„491.            De overdracht van de eigendom van aandelen en andere winstdelende financiële instrumenten [...] die zijn uitgegeven door vennootschappen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van de staat, evenals van bewijzen van deelgerechtigdheid, ongeacht de staat waar de emittent zijn woonplaats heeft, is onderworpen aan een belasting op financiële transacties tegen het tarief van 0,2 procent van de transactiewaarde. De overdracht van de eigendom van aandelen als gevolg van de omzetting van obligaties is ook aan deze belasting onderworpen. [...] De belasting is verschuldigd ongeacht de plaats waar de transactie wordt afgesloten en de staat waar de contractpartijen woonplaats hebben. [...]

492.            Transacties met afgeleide financiële instrumenten [...], die hoofdzakelijk een of meer van de in lid 491 genoemde financiële instrumenten als onderliggend instrument hebben, of waarvan de waarde hoofdzakelijk afhangt van een of meer van de in dat lid bedoelde financiële instrumenten, en effectentransacties [...], waardoor voornamelijk een of meer van de in lid 491 bedoelde financiële instrumenten kunnen worden gekocht of verkocht, of die een afwikkeling in contanten met zich brengen waarbij hoofdzakelijk wordt verwezen naar een of meer van de in het vorige lid bedoelde financiële instrumenten, waaronder warrants, gedekte warrants en certificaten, zijn, ten tijde van het afsluiten daarvan, onderworpen aan een vaste belasting die wordt bepaald aan de hand van het type instrument en de waarde van de overeenkomst volgens de bij deze wet gevoegde tabel 3. De belasting is verschuldigd ongeacht de plaats waar de transactie wordt afgesloten en de staat waar de contractpartijen woonplaats hebben. In het geval dat de in de eerste zin bedoelde transacties ook als afwikkelingsmethode voorzien in de overdracht van aandelen of andere winstdelende financiële instrumenten, is de eigendomsoverdracht van die financiële instrumenten, die ten tijde van de afwikkeling plaatsvindt, onderworpen aan belasting onder de voorwaarden en in de mate als bepaald in lid 491.

[...]

494.            De in lid 491 bedoelde belasting is verschuldigd door de verkrijger; de in lid 492 bedoelde belasting is verschuldigd door ieder van de tegenpartijen bij de transacties in de aldaar bepaalde mate. De in de leden 491 en 492 bedoelde belasting is niet van toepassing op entiteiten die bemiddelen bij dezelfde transacties. In het geval van een overdracht van de eigendom van aandelen en financiële instrumenten als bedoeld in lid 491, en bij transacties in financiële instrumenten als bedoeld in lid 492, wordt de belasting betaald door banken, trustmaatschappijen en beleggingsinstellingen die een vergunning hebben om op professionele basis aan het publiek beleggingsdiensten te verlenen en voor dat publiek beleggingsactiviteiten te verrichten [...] alsook door andere entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de bovengenoemde transacties, met inbegrip van niet-ingezeten tussenpersonen. Indien bij de uitvoering van de transactie meerdere van de in de derde zin genoemde entiteiten betrokken zijn, wordt de belasting betaald door de entiteit die de order rechtstreeks van de koper of van de uiteindelijke wederpartij ontvangt. In andere gevallen wordt de belasting door de belastingplichtige betaald. Niet-ingezeten tussenpersonen en andere entiteiten die bij de transactie betrokken zijn, mogen een fiscaal vertegenwoordiger benoemen [...] die onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde verantwoordelijkheden als de niet-ingezeten entiteit verantwoordelijk is voor de verplichtingen in verband met de in de vorige leden bedoelde transacties. [...]”

4        De in artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 bedoelde tabel 3 is als bijlage bij deze wet gevoegd, heeft als opschrift „Tabel: belasting over financiële transacties met financiële instrumenten (waarde in euro’s voor iedere tegenpartij)” en luidt:


Nationale waarde van de overeenkomst

(× 1 000 EUR)

Financieel instrument:

0-2,5

2,5-5

5-10

10-50

50-100

100-500

500-1 000

> 1 000

Futurescontracten, certificaten, gedekte warrants en optiecontracten op rendementen, benchmarks of indexen met betrekking tot aandelen


0,01875


0,0375


0,075


0,375


0,75


3,75


7,5


15

Futurescontracten, warrants, certificaten, gedekte warrants en optiecontracten op aandelen


0,125


0,25


0,5


2,5


5


25


50


100

Swaps op aandelen en gerelateerde rendementen, indexen of benchmarks


Termijncontracten op aandelen en gerelateerde rendementen, indexen of benchmarks


Financiële contracten ter verrekening van verschillen in verband met de aandelen en de gerelateerde rendementen, indexen of benchmarks


Alle andere effecten met afwikkeling in contanten bepaald op basis van de aandelen en de gerelateerde rendementen, indexen of benchmarks


Combinaties van de bovengenoemde contracten of effecten


0,25


0,5


1


5


10


50


100


200


 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

5        Op 28 maart 2014 heeft Société Générale, gevestigd in Frankrijk, via haar Italiaanse bijkantoor bij de belastingdienst een aangifte ingediend voor de belasting op financiële transacties die is ingevoerd bij wet nr. 228/2012. Op basis van die aangifte, die betrekking had op de in belastingjaar 2013 door de Franse moedermaatschappij verrichte transacties met afgeleide financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, lid 492, van die wet, bedroeg deze belasting 55 207 EUR.

6        Op 1 augustus 2014 heeft Société Générale de belastingdienst verzocht om teruggaaf van de uit hoofde van deze belasting betaalde bedragen, waarbij zij heeft aangevoerd dat wet nr. 228/2012, voor zover deze voorziet in de heffing van een belasting over financiële transacties met afgeleide financiële instrumenten wanneer de emittent van het aan dergelijke instrumenten onderliggende effect in Italië gevestigd is, in strijd is met de Italiaanse grondwet, met name het beginsel van formele gelijkheid en het beginsel van draagkracht, zoals respectievelijk neergelegd in de artikelen 3 en 53 ervan, met het internationaal gewoonterecht dat in de Italiaanse rechtsorde van toepassing is op grond van artikel 10 van die grondwet, en met het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 18, 56 en 63 VWEU.

7        Aangezien een antwoord van de belastingdienst uitbleef, heeft Société Générale op 28 januari 2015 bij de Commissione tributaria provinciale di Milano (belastingrechter in eerste aanleg Milaan, Italië) op basis van diezelfde gronden beroep ingesteld tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek tot teruggaaf. Bij beslissing van 18 mei 2016 heeft die rechter het beroep verworpen op grond dat wet nr. 228/2012 noch ongrondwettig, noch in strijd met het Unierecht was. Met betrekking tot de vraag of artikel 1, lid 492, van die wet in strijd is met de grondwet, was die rechter van oordeel dat er een werkelijk en objectief economisch verband bestond tussen het belastbare feit voor de bij deze bepaling ingevoerde belasting – transacties met afgeleide financiële instrumenten, die duiden op een zekere draagkracht – en de Italiaanse Staat, en dat er een onlosmakelijk verband bestond tussen de waarde van een dergelijk instrument en de waarde van het onderliggende effect. Bovendien kon belastingontwijking in de hand worden gewerkt wanneer alleen transacties met de onderliggende effecten worden belast, en werd het internationale beginsel van territorialiteit en fiscale soevereiniteit niet geschonden. Aangaande de vraag of deze wet eventueel onverenigbaar is met het Unierecht, heeft deze rechter geoordeeld dat dit niet het geval was, aangezien Italiaanse belastingplichtigen en in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen niet aan een verschillende belastingregeling werden onderworpen.

8        Société Générale heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Commissione tributaria regionale per la Lombardia (belastingrechter in tweede aanleg Lombardije, Italië), met verzoek om teruggaaf van de betaalde belasting op basis van dezelfde argumenten als die welke zij had aangevoerd voor de rechter in eerste aanleg en, subsidiair, verwijzing van de zaak naar de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) en naar het Hof voor een prejudiciële beslissing.

9        De verwijzende rechter merkt op dat de belasting op financiële transacties, als bedoeld in artikel 1, leden 491 tot en met 500, van wet nr. 228/2012, werd ingevoerd om te garanderen dat entiteiten die transacties verrichten met financiële instrumenten die een band met het Italiaanse grondgebied hebben, de overheidsuitgaven mee helpen dekken binnen de markten waarop zij actief zijn.

10      Deze rechter wijst op een symmetrie tussen de leden 491 en 492 van artikel 1 van deze wet, waarvan het eerste een regeling omvat voor aandelen en winstdelende financiële instrumenten die worden uitgegeven door in Italië gevestigde vennootschappen en voor bewijzen van deelgerechtigdheid, en het tweede een regeling omvat voor afgeleide financiële instrumenten met als onderliggende effecten een of meer van de in lid 491 van dat artikel bedoelde aandelen en instrumenten, of waarvan de waarde aan die aandelen en instrumenten is gekoppeld, waarbij deze twee leden bepalen dat de belasting verschuldigd is, hoewel zij op een andere manier wordt berekend, ongeacht de plaats van de transactie en de staat waar de contractpartijen woonplaats hebben.

11      De verwijzende rechter merkt tevens op dat elke financiëlemarktdeelnemer die transacties verricht met dergelijke afgeleide financiële instrumenten, profiteert van de waarde van het onderliggende effect, dat zijn bestaan te danken heeft aan de Italiaanse rechtsorde die voorziet in een wettelijke regeling voor de uitgifte van dit effect. De Italiaanse wetgever is dan ook terecht van oordeel dat er een onlosmakelijk economisch verband bestaat tussen deze instrumenten en de rechtsorde van deze lidstaat. Deze rechter voegt hieraan toe dat hij het niet eens is met de stelling van Société Générale dat er geen territoriale band bestaat tussen die rechtsorde en de belasting waarin artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 voorziet.

12      De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of wet nr. 228/2012 in overeenstemming is met de beginselen van het Unierecht, voor zover daarbij wordt voorzien in de heffing van een belasting op, alsook in administratieve en aangifteverplichtingen voor, transacties met afgeleide financiële instrumenten tussen niet-ingezeten entiteiten die tot stand zijn gekomen via de bemiddeling van eveneens niet-ingezeten tussenpersonen en waarbij de onderliggende effecten zijn uitgegeven door een ingezeten vennootschap, aangezien transacties met die onderliggende effecten aan een soortgelijke belasting onderworpen zijn.

13      In het bijzonder vraagt de verwijzende rechter zich af of de in artikel 1, leden 491 en 492, van wet nr. 228/2012 bedoelde belasting niet kan leiden tot discriminatie tussen ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen, zoals Société Générale stelt, alsook tot belemmering van het vrije verkeer van diensten en het vrije verkeer van kapitaal.

14      Daarop heeft de Commissione tributaria regionale per la Lombardia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staan de artikelen 18, 56 en 63 VWEU in de weg aan een nationale regeling die voorziet in de heffing van een belasting op financiële transacties, ongeacht de vestigingsstaat van de financiëlemarktdeelnemers en van de tussenpersoon, die door de bij de transactie betrokken partijen moet worden voldaan, bestaat in een vast bedrag dat stijgt naarmate de waarde van de transacties toeneemt en afhankelijk is van het type instrument dat wordt verhandeld en van de waarde van de overeenkomst, en verschuldigd is op grond van het feit dat de belastbare transacties betrekking hebben op een derivaat dat is gebaseerd op een effect dat is uitgegeven door een vennootschap die is gevestigd in de staat die deze belasting heeft ingevoerd?”

 Prejudiciële vraag

15      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 18, 56 en 63 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die voorziet in de heffing van een belasting op, alsook in administratieve en aangifteverplichtingen voor, transacties met afgeleide financiële instrumenten, die moeten worden voldaan respectievelijk nagekomen door de bij de transactie betrokken partijen, ongeacht de plaats van de transactie of de staat waar die partijen en de eventuele, bij de uitvoering ervan betrokken tussenpersonen gevestigd zijn, wanneer het onderliggende effect van deze instrumenten een effect is dat is uitgegeven door een in die lidstaat gevestigde vennootschap.

16      Vooraf moet worden opgemerkt dat artikel 18 VWEU slechts autonoom toepassing kan vinden in situaties waarin het Unierecht geldt maar waarvoor in het Verdrag geen specifieke discriminatieverboden zijn neergelegd. Het Verdrag voorziet echter met name in artikel 56 VWEU in een dergelijke specifieke regel op het gebied van het vrije verkeer van diensten (zie in die zin arrest van 19 juni 2014, Strojírny Prostějov en ACO Industries Tábor, C-53/13 en C-80/13, EU:C:2014:2011, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en in artikel 63 VWEU op het gebied van het vrije verkeer van kapitaal (zie in die zin beschikking van 6 september 2018, Patrício Teixeira, C-184/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:694, punten 15 en 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17      Aangaande allereerst de vraag welke vrijheid van toepassing is op de omstandigheden van het hoofdgeding, verwijst de nationale rechter naar het vrije verkeer van diensten en het vrije verkeer van kapitaal.

18      In dit verband moet worden vastgesteld dat een regeling van een lidstaat tot invoering van een belasting op transacties met afgeleide financiële instrumenten, zoals artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012, binnen de werkingssfeer van het vrije verkeer van kapitaal valt, aangezien de belasting wordt geheven over financiële transacties die kapitaalbewegingen tot gevolg hebben. Een dergelijke regeling kan evenwel ook van invloed zijn op het vrije verkeer van diensten, aangezien zij gevolgen kan hebben voor de financiële diensten met door in die lidstaat gevestigde vennootschappen uitgegeven effecten wanneer die diensten in een andere lidstaat worden aangeboden.

19      Volgens zijn vaste rechtspraak onderzoekt het Hof, wanneer een nationale maatregel zowel verband houdt met het vrij verrichten van diensten als met het vrije verkeer van kapitaal, de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts een van deze twee vrijheden, indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden [zie in die zin arresten van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C-452/04, EU:C:2006:631, punt 34; 26 mei 2016, NN (L) International, C-48/15, EU:C:2016:356, punt 39, en 8 juni 2017, Van der Weegen e.a., C-580/15, EU:C:2017:429, punt 25].

20      In de omstandigheden van het hoofdgeding blijkt het vrij verrichten van diensten ondergeschikt te zijn aan het vrije verkeer van kapitaal. De wettelijke voorwaarden voor de betrokken belasting, die betrekking heeft op financiële transacties, zijn immers van toepassing ongeacht of er bij een dergelijke transactie diensten worden verricht. Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af of het invoeren van een dergelijke belasting beperkende gevolgen kan hebben, zonder nader toe te lichten op welke wijze deze belasting specifiek van invloed zou kunnen zijn op dergelijke dienstverrichtingen. Ten slotte heeft Société Générale volgens de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing die belasting betaald aangezien zij als financiëlemarktdeelnemer betrokken was bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transacties, zonder dat meer gegevens over deze transacties en haar rol werden verstrekt. In dit verzoek wordt met name niet verduidelijkt waarom en met welk oogmerk deze transacties afgesloten zijn.

21      Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag moet worden onderzocht in het licht van het vrije verkeer van kapitaal.

22      Vervolgens blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C-436/08 en C-437/08, EU:C:2011:61, punt 50, en 18 januari 2018, Jahin, C-45/17, EU:C:2018:18, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      In dit verband vormt het recht dat de lidstaten ontlenen aan artikel 65, lid 1, onder a), VWEU om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot de plaats waar zij gevestigd zijn of de plaats waar hun kapitaal is belegd, een afwijking van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal. Deze afwijking wordt zelf beperkt door artikel 65, lid 3, VWEU, dat bepaalt dat de in lid 1 van dat artikel bedoelde nationale bepalingen „geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]” (zie in die zin arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C-575/17, EU:C:2018:943, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat bijgevolg onderscheid moet worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden gevallen van discriminatie. Een nationale belastingregeling kan enkel verenigbaar met de Verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer worden geacht indien het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C-575/17, EU:C:2018:943, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Bovendien is het vaste rechtspraak dat discriminatie ook kan resulteren uit de toepassing van dezelfde regel op verschillende situaties (arrest van 6 december 2007, Columbus Container Services, C-298/05, EU:C:2007:754, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Ten slotte zij eraan herinnerd dat, om vast te stellen of er sprake is van discriminatie, de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van het met de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel [arrest van 26 februari 2019, X (In derde landen gevestigde tussenvennootschappen), C-135/17, EU:C:2019:136, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

27      In casu voert Société Générale aan dat de in artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 bedoelde belasting leidt tot discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen alsmede het vrije verkeer van kapitaal beperkt.

28      Deze vennootschap betoogt dat deze bepaling ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen op dezelfde wijze behandelt ook al verkeren zij in een verschillende situatie, en tot gevolg heeft dat beleggen in afgeleide financiële instrumenten met als onderliggend effect een effect dat is uitgegeven door een in Italië gevestigde vennootschap, voor niet-ingezeten belastingplichtigen minder voordelig is dan beleggen in afgeleide financiële instrumenten waarvan het onderliggend effect van een andere staat afkomstig is. Als gevolg hiervan wordt de toegang tot de markt voor deze afgeleide financiële instrumenten belemmerd, temeer daar deze belasting in de praktijk gepaard gaat met administratieve en aangifteverplichtingen die komen bovenop de verplichtingen die de financiëlemarktdeelnemers en de eventuele tussenpersoon al hebben in de vestigingsstaat.

29      In dit verband moet worden opgemerkt dat uit de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de in artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 bedoelde belasting betrekking heeft op financiële transacties met afgeleide financiële instrumenten die een band hebben met de Italiaanse Staat. Deze belasting is verschuldigd ongeacht de plaats waar de transactie wordt afgesloten of de staat waar de bij deze transactie betrokken partijen en de eventuele tussenpersoon gevestigd zijn, zodat ingezeten en niet-ingezeten entiteiten aan dezelfde belastingregeling onderworpen zijn.

30      Deze belasting is met name gelijkelijk van toepassing op ingezeten en niet-ingezeten financiëlemarktdeelnemers en treft transacties die worden afgesloten in de heffingsstaat dan wel in een andere staat. De hoogte van deze belasting is namelijk niet afhankelijk van de plaats waar de transacties zijn afgesloten, of de staat waar de partijen of de eventuele tussenpersoon gevestigd zijn, maar van het bedrag van deze transacties en het soort instrument. Binnenlandse transacties worden dus fiscaal op dezelfde wijze behandeld als soortgelijke grensoverschrijdende transacties en er kan niet worden vastgesteld dat de respectieve situaties van ingezeten en niet-ingezeten entiteiten verschillend worden behandeld.

31      Met betrekking tot de vraag of de situaties vergelijkbaar zijn, verklaart de verwijzende rechter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling tot doel heeft te garanderen dat entiteiten die financiële transacties met de betrokken instrumenten verrichten, de overheidsuitgaven mee helpen dekken. Gelet op deze doelstelling bevinden ingezeten en niet-ingezeten entiteiten die betrokken zijn bij transacties met afgeleide financiële instrumenten die gebaseerd zijn op een in Italië uitgegeven effect, en die krachtens die nationale regeling aan de belasting onderworpen zijn, anders dan Société Générale stelt, zich in een vergelijkbare situatie.

32      Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn afgeleide financiële instrumenten waarvan de onderliggende effecten worden beheerst door het Italiaanse recht en die aan deze belasting onderworpen zijn, uit het oogpunt van die doelstelling daarentegen niet vergelijkbaar met afgeleide financiële instrumenten waarvan de onderliggende effecten niet door dat recht worden beheerst en waarop deze belasting niet van toepassing is.

33      Uit het voorgaande volgt dat in de belasting bedoeld in artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 geen bij artikel 65, lid 3, VWEU verboden discriminatie besloten ligt.

34      Voor zover Société Générale betoogt dat het wegens het verschil in behandeling in de Italiaanse regeling tussen afgeleide financiële instrumenten waarvan de onderliggende effecten worden beheerst door het Italiaanse recht, en die waarvan de onderliggende effecten niet door dit recht worden beheerst, minder voordelig is om in eerstgenoemde instrumenten te beleggen, zij eraan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat, bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Europese Unie, de nadelen die uit de uitoefening van belastingbevoegdheden door de verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, geen beperkingen van de verkeersvrijheden vormen voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert, en voorts dat de lidstaten niet verplicht zijn om hun belastingstelsel aan te passen aan de verschillende belastingstelsels van de andere lidstaten [arrest van 26 mei 2016, NN (L) International, C-48/15, EU:C:2016:356, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35      Met name kan het vrije verkeer van kapitaal niet aldus worden begrepen dat een lidstaat verplicht is om zijn belastingregeling af te stemmen op die van een andere lidstaat, teneinde te waarborgen dat de belasting in alle situaties aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen, aangezien de beslissingen van een belastingplichtige betreffende de belegging in een andere lidstaat naargelang van het geval meer of minder voordelig of nadelig voor deze belastingplichtige kunnen uitvallen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C-156/17, EU:C:2020:51, punt 72).

36      Derhalve kan, zoals de Italiaanse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen aanvoeren, de in artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 bedoelde belasting niet worden beschouwd als een beperking van het vrije verkeer van kapitaal.

37      Wat het bestaan van administratieve en aangifteverplichtingen in verband met de betaling van deze belasting betreft, moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter dit aspect niet nader heeft uitgewerkt in het verzoek om een prejudiciële beslissing en met name niet heeft toegelicht om welke verplichtingen het gaat en de ter zake toepasselijke bepalingen niet heeft vermeld. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit dit verzoek hoe dan ook niet dat de verplichtingen die rusten op niet-ingezeten entiteiten, verschillen van die welke aan ingezeten entiteiten zijn opgelegd, of dat deze verplichtingen verder gaan dan noodzakelijk is voor de invordering van de in artikel 1, lid 492, van wet nr. 228/2012 bedoelde belasting.

38      Met betrekking tot deze laatste hypothese heeft het Hof immers geoordeeld dat de noodzaak om een doelmatige invordering van de belasting te waarborgen een legitiem doel vormt dat een beperking van de fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen. Zo mag een lidstaat maatregelen toepassen waarmee het bedrag van de verschuldigde belasting duidelijk en nauwkeurig kan worden vastgesteld, mits deze maatregelen geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie in die zin arresten van 15 mei 1997, Futura Participations en Singer, C-250/95, EU:C:1997:239, punt 31, en 22 november 2018, Sofina e.a., C-575/17, EU:C:2018:943, punt 67). Het staat aan de verwijzende rechter om de daarvoor vereiste controles te verrichten.

39      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voorziet in een belasting op financiële transacties met afgeleide financiële instrumenten die de partijen bij de transactie verschuldigd zijn, ongeacht de plaats van de transactie of de staat waar deze partijen en de eventuele, bij de uitvoering van die transactie betrokken tussenpersoon gevestigd zijn, wanneer het onderliggende effect van deze instrumenten een effect is dat is uitgegeven door een in die lidstaat gevestigde vennootschap. De met deze belasting gepaard gaande administratieve en aangifteverplichtingen die rusten op niet-ingezeten entiteiten, mogen echter niet verder gaan dan voor de invordering van deze belasting noodzakelijk is.

 Kosten

40      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 63 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voorziet in een belasting op financiële transacties met afgeleide financiële instrumenten die de partijen bij de transactie verschuldigd zijn, ongeacht de plaats van de transactie of de staat waar deze partijen en de eventuele, bij de uitvoering van die transactie betrokken tussenpersoon gevestigd zijn, wanneer het onderliggende effect van deze instrumenten een effect is dat is uitgegeven door een in die lidstaat gevestigde vennootschap. De met deze belasting gepaard gaande administratieve en aangifteverplichtingen die rusten op niet-ingezeten entiteiten, mogen echter niet verder gaan dan voor de invordering van deze belasting noodzakelijk is.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.